Artikelen - Bijbel

De radicaliteit van Jezus en de Tora - Peter van 't Riet - 1998
De open poort, jrg. 78, nr. 10, Edegem, BelgiŽ, 1998

Eeuwenlang zijn we in de kerk van mening geweest dat Jezus de Tora (de Wet van Mozes, Genesis t/m Deuteronomium) buiten werking heeft gesteld. Vandaag de dag vindt die opvatting echter steeds minder gehoor. Nieuwer onderzoek, ook door joodse geleerden, wijst vrijwel altijd in de richting van het tegendeel: Jezus was een Tora-getrouwe jood en hij wilde de Tora eerder consequent en radicaal naleven, dan haar opheffen of ontbinden. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de Bergrede waarin hij zegt, dat hij niet gekomen is om de Tora te ontbinden, maar om deze vol te maken of te volbrengen. Ja, zelfs geen tittel en jota (de kleinste schrifttekens) van de Tora, zullen vergaan zolang de hemel en de aarde bestaan. Wie dan ook één van de kleinste geboden van de Tora ontbindt en dat aan de mensen leert, zal zeer klein heten in het koninkrijk van God (Matteüs 5:17-19). De consequentie is dat wie niet alleen een tittel of jota maar de hele Tora ontbindt, het koninkrijk van God nooit zal binnengaan.

Veel evangelieverhalen waaruit in het verleden werd afgeleid dat Jezus de Tora verbrak, blijken we in de kerk eeuwenlang verkeerd te hebben gelezen. De toegenomen kennis over het jodendom uit Jezus' tijd plaatst deze verhalen in een ander daglicht. Dat is het geval met de verhalen over genezingen op de sjabbat (bijv. Matteüs 12:9-14). Deze genezingen zijn meestal gezien als een bewijs dat Jezus zich niet hield aan de regels van de sjabbat en daarmee de sjabbat buiten werking stelde. Wat over het hoofd werd gezien, was dat Jezus bij deze genezingen geen gebruik maakte van gereedschappen. De genezing verrichtte hij alleen door middel van woorden: "Steek uw hand uit". En de man stak zijn hand uit en deze werd weer gezond zoals zijn andere hand (Matteüs 12:13). En dat is een vorm van genezen, die noch volgens de Tora, noch volgens de uitleg die indertijd aan de Tora werd gegeven, verboden is.

Er is in deze verhalen dus helemaal geen sprake van overtreding van de regels van de sjabbat. Wat deze verhalen aan de orde stellen, is niet de opheffing van de sjabbat, maar de vraag hoe de sjabbat moet worden gevierd. We mogen de zorg en aandacht voor zieken en invaliden geen dag laten verslappen, ook niet op de sjabbat. In joodse verhalen wordt een dergelijke thematiek op scherp gezet door te vertellen over een genezing die zich precies binnen de regels van de sjabbat beweegt. Het doet er niet toe of het verhaal ook 'echt gebeurd' is, en of die genezing nu wel of niet op deze wijze heeft plaatsgevonden. Waar het om gaat, is dat we zieken en invaliden beschouwen als mensen die erbij horen. Door hen zoveel mogelijk te behandelen als mensen die gezond zijn, worden zij weer gezond. Misschien niet altijd lichamelijk, maar wel in geestelijk en sociaal opzicht. In zijn trouw aan de Tora zoekt Jezus voortdurend naar de wortels van ieders menselijk bestaan: het beelddrager-van-God-zijn (Genesis 1:26).

In deze houding is Jezus zeer verwant geweest met de Farizeeën van zijn dagen, hoewel de felle discussies met en over hen (bijv. Matteüs 23) in de kerk eeuwenlang de indruk van het tegendeel hebben gewekt. Maar ook hier heeft het nieuwere onderzoek het beeld grondig veranderd. De verwantschap tussen Jezus en de Farizeeën blijkt vele malen groter te zijn dan hun verschil van mening. Het is zelfs goed mogelijk Jezus te beschouwen als een radicale Farizeeër, die af en toe fel uithaalt naar het Farizese establishment van zijn dagen. Bij velen van hen gingen godsvrucht en eigen belang hand in hand. En dat nogal eens ten koste van sociale en economische rechtvaardigheid. De evangelist Lukas duidt in dit verband sommigen van hen aan als 'Farizeeën die geldzuchtig waren' (Lukas 16:14). Met zijn kritiek op het Farizese establishment onderscheidt Jezus zich echter niet wezenlijk van de Farizese beweging zelf. Want onder de Farizeeën bevonden zich veel andere leraren die er even hoge normen en waarden op na hielden als Jezus, wanneer het om recht en rechtvaardigheid ging. Dat was bijvoorbeeld het geval met de leraren uit de Farizese school van Hillel, die de grondleggers van het huidige jodendom zijn. Veel van hun standpunten en uitspraken lijken als twee druppels water op die van Jezus. Zo is van Hillel, die zo'n dertig jaar eerder dan Jezus leefde, de uitspraak overgeleverd: \"Wat jij niet wilt dat de mensen je aandoen, doe dat ook een ander niet aan. Dat is de hele Tora, en de rest is uitleg. Ga heen en leer de uitleg!\" (vergelijk Matteüs 7:12).

Binnen de Farizese beweging was een kritische houding als die van Jezus meer regel dan uitzondering. De geschreven Tora (Genesis t/m Deuteronomium) is immers meer een grondwet dan een wet. Zij regelt het leven wel op hoofdlijnen, maar niet in details. De toepassing van de Tora op het leven van alledag was een zaak van mondelinge overlevering. Daarbinnen was veel ruimte voor studie, discussie, ervaringsgegevens en meningsverschillen. Om de geschreven Tora heen was in de loop der eeuwen dan ook een zogenoemde mondelinge Tora ontstaan. Daarin werd de toepassing van de geschreven Tora voortdurend onderhouden en aangepast aan de eisen van de tijd. Deze mondelinge Tora werd overgeleverd van generatie op generatie. Door elke generatie werd zij uitgebreid en aangevuld. Dat was zo en dat is nog steeds zo.

Juist omdat deze mondelinge Tora een levend geheel was, bestond daarbinnen een voortdurende spanning tussen de wens tot consolidatie en de wens tot verandering, tussen conservatisme en progressiviteit. In dat spanningsveld is Jezus te vinden aan de kant van de vernieuwers, evenals de Farizese leraren uit de school van Hillel. Beiden stonden in menig opzicht tegenover de conservatieve Farizeeën die in het begin van de eerste eeuw de boventoon voerden. Jezus was alleen wat radicaler dan de school van Hillel was. En daarin schuilt nu juist de tragiek van het Nieuwe Testament. Want toen Jezus' radicaliteit niet meer verstaan werd in het licht van de geschreven Tora en van de mondelinge Tora uit zijn dagen, leidde deze radicaliteit tot standpunten en conclusies die zich keerden tegen haar oorspronkelijke bedoeling. Zo is Jezus' wens om het leven vorm en inhoud te geven op een wijze zoals God dat in de Tora heeft bedoeld, omgebogen tot ontbinding van de Tora. Zo zijn Gods aanvankelijke en uiteindelijke bedoelingen met zijn volk Israël en met de wereld voor ons verduisterd geraakt.

Al zo'n honderd jaar na Jezus' dood was de kerk vrijwel volledig vervreemd van het jodendom. Jezus' radicaliteit werd niet meer begrepen als geworteld in de geschreven en mondelinge Tora. Daardoor ontstond een kerk waarin de evangeliën werden gelezen en uitgelegd met behulp van Grieks-Romeinse grondbegrippen. Vandaag ontdekken we de joodse en Hebreeuwse denkbeelden weer, die ten grondslag liggen aan het Nieuwe Testament.

Elke traditie kent naast het gevaar van verstarring en conservatisme ook het gevaar om de context waarin zij is ontstaan, uit het oog te verliezen. Aan dit laatste gevaar is onze christelijke traditie helaas niet ontkomen. Gelukkig leven we nu weer in een periode waarin de toegenomen kennis van het toenmalige en huidige jodendom ons in staat stelt dichter te komen bij Jezus en zijn oorspronkelijke bedoelingen.

Dit artikel werd voor het eerst gepubliceerd in De open poort, Protestants maandblad voor geloof en samenleving, jrg. 78, nr. 10, Edegem, BelgiŽ, 1998. Vervolgens in enigszins aangepaste vorm in: Judaica Bulletin 12 nr. 2, januari 1999, onder de titel 'Jezus en de Tora'.
This is the website of Peter van 't Riet