Artikelen - Christendom

Auschwitz of IsraŽl? - Peter van 't Riet - 1998
Wat doorbrak de christelijke houding tegenover het jodendom?

Op 16 maart 1998 verscheen de Vaticaanse verklaring 'Wij herinneren ons'. Het is een reflectie over de Holocaust, de massavernietiging van zes miljoen joden in de Tweede Wereldoorlog. Deze verklaring, waaraan elf jaar is gewerkt, veroorzaakte onder joden grote verontwaardiging, omdat het Vaticaan wel bereid was de schuld van individuele gelovigen aan de Holocaust toe te geven, maar niet de schuld van de Kerk als instituut te erkennen. Wie de roomskatholieke opvattingen over de Kerk als sacrament kent, kan dit laatste begrijpen: het zou het einde betekenen van het primaat dat deze kerk meent te bezitten binnen het christendom.

Een andere gebeurtenis heeft plaatsgehad op donderdag 30 april van dit jaar: het vijftigjarig bestaan van de Staat Israël, door joden samen met veel christenen overal in de wereld gevierd, hoewel niet iedereen er even warm voor liep vanwege de deplorabele staat van het vredesproces in het Midden-Oosten. Beide gebeurtenissen zijn, misschien juist wel vanwege deze verwikkelingen, markant voor de nieuwe betrekkingen tussen christenen en joden, zoals die sinds de Tweede Wereldoorlog zijn ontstaan.

Duidelijk is dat er in de afgelopen vijftig jaar een doorbraak heeft plaatsgehad zowel in de officiële als in de onofficiële verhoudingen tussen christenen en joden. Kerken geven verklaringen af over hun verhouding tot het jodendom die historisch gezien ongekend zijn. In officiële overlegorganen, zoals het OJEC, onderhoudt men contacten en overlegt men over kerkelijke en politieke aangelegenheden. Elke zichzelf respecterende kerk heeft wel een orgaan voor de betrekkingen met de joden en met Israël.

Maar ook onofficieel gebeurt er van alles wat tot voor vijftig jaar ondenkbaar was. In 1966 al, ruim twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog schreef de joods-Nederlandse geleerde H. van Praag: 'We leven in een dynamische tijd. Twintig jaar zijn een hele boel. Het zou me niet verbazen, dat binnen (nog eens) twintig jaar joden en christenen in groten getale samen Tora en evangelie gingen lezen.' Misschien een wat al te optimistische visie? Inmiddels zijn we ruim dertig jaar verder en is de 'profetie' van Van Praag maar gedeeltelijk uitgekomen. Veel christenen lezen Tora, soms met, vaker zonder joden. Weinig joden lezen het evangelie. Maar als zij het lezen, zoals Van Praag dat deed, dan heeft dat meestal grote gevolgen, misschien niet zo zeer voor henzelf als wel voor de christenen die met hen mee lezen. Het aantal christenen dat het jodendom betrekt bij het lezen van Oude en Nieuwe Testament en bij het nadenken over hun levens- en geloofsvragen, is nog nooit zo groot geweest als nu. Steeds meer theologen beseffen dat het niet meer mogelijk is het Nieuwe Testament te lezen zonder grondige kennis van het jodendom in het algemeen en van het jodendom uit de eerste eeuwen in het bijzonder. Er verschijnen de laatste tien jaar steeds meer publicaties over joodse en joods-christelijke onderwerpen, geschreven voor een overwegend christelijk publiek. De wens om van het jodendom te leren is groot. Illustratief daarvoor zijn de vele gespreks- en studiegroepen die als 'leerhuis' overal in het land actief zijn, en waar men allerlei vraagstukken bestudeert tegen de achtergrond van de joodse traditie. Kennelijk was er na Auschwitz een halve eeuw nodig om het christendom open te doen staan voor het jodendom. Maar was het wel Auschwitz, dat deze verandering in gang heeft gebracht?

Zeker is de laatste halve eeuw bij veel christenen het besef doorgedrongen dat het de kerken en de christelijke theologie zelf waren, die een belangrijke bijdrage leverden aan het ontstaan van dat geestelijke en politieke klimaat waarin de Holocaust kon plaatshebben. Het waren de kerken en hun leiders die eeuwen lang de anti-joodse uitspraken deden en de anti-joodse maatregelen namen, die hun meest gedegenereerde kinderen ertoe brachten de moord op de zes miljoen te begaan. Maar het is de vraag of dit wrange hedendaagse inzicht de belangrijkste factor was in de doorbraak tussen christendom en jodendom na de Tweede Wereldoorlog. Illustratief in dit verband is dat bovengenoemde Vaticaanse verklaring pas vijftig jaar na dato werd afgegeven nadat er maar liefst elf jaar aan gewerkt was!

Een wellicht veel belangrijker factor in de kerkelijke en theologische omwenteling ten opzichte van het jodendom is ongetwijfeld de oprichting van de staat Israël in 1948 geweest, drie jaar na de Holocaust. De Holocaust zelf sloot tenslotte goed aan bij de christelijke vervangingsleer (d.w.z. dat de Kerk in de plaats van het joodse volk is gekomen) en was volledig vanuit die vervangingsleer te verklaren. Met de oprichting van de Staat Israël gebeurde er echter voor het eerst iets dat volledig in strijd was met negentien eeuwen christelijke theologie. Nu zagen christenen voor het eerst sinds eeuwen de joden als een volk met een vrij en zelfstandig bestaan. Het stereotiepe beeld dat het christendom van het jodendom had, te weten dat het een verhard volk was dat het heil van God in Jezus Christus niet wenste te aanvaarden en daarom voortdurend verdrukt, vervolgd en opgejaagd werd, dat stereotiepe beeld werd doorbroken! In plaats daarvan bleek uit de grootste vervolging in de geschiedenis van de mensheid na negentien eeuwen ballingschap de nationale zelfstandigheid van het joodse volk voort te kunnen komen. De traditioneel christelijke visie op het jodendom klopte niet meer.

Mijns inziens is daarmee de grote kerkelijke en theologische doorbraak in de relatie tot het jodendom begonnen. Want zowel de kerken als de theologie kregen door het ontstaan van de Staat Israël niet alleen te maken met heel andere externe betrekkingen tot de joden (rabbijnen, politici, wetenschappers). Ook kregen zij een nieuw intern theologisch conflict op te lossen: vooral in die kringen waarin het Voorzienigheidsgeloof sterk beleefd werd, moest de vraag beantwoord worden hoe de vervangingsleer en de suprematie van het christendom over het jodendom gehandhaafd konden worden nu God zijn betrekkingen met het joodse volk hersteld leek te hebben? De theologische aardverschuiving die op gang kwam bij het stellen en beantwoorden van die vraag, heeft de afgelopen vijftig jaar grote gevolgen gehad en is nog altijd niet uitgewerkt.

Was het Auschwitz of was het de Staat Israël waardoor de ogen van veel christenen voor het jodendom geopend werden? Natuurlijk zijn er naast Auschwitz en de oprichting van de Staat Israël ook andere factoren van invloed geweest op de christelijke benadering van het jodendom. Dat neemt echter het vermoeden niet weg, dat zonder het ontstaan van de Staat Israël Auschwitz het christendom maar weinig beïnvloed zou hebben. Al meer dan vijftig jaar stellen het joodse volk, Auschwitz en de Staat Israël de kerken en de theologie voor een uitdaging. De onbevredigende Vaticaanse verklaring over de Holocaust bewijst dat die uitdaging ook de komende jaren zal blijven bestaan.

Artikel gepubliceerd in Judaica Bulletin 12 nr. 1, november 1998.
This is the website of Peter van 't Riet