Artikel - Nieuwe Testament

Jezus’ laatste sedermaaltijd - Peter van 't Riet - 2017

Maandagavond 11 april (2017) begint pèsach (het joodse paasfeest) met de sedermaaltijd. Zondag 16 april vieren de Westerse christenen hun jaarlijkse paasfeest. De donderdag daarvóór (“witte donderdag”) wordt tegenwoordig in veel kerken de instelling van het avondmaal of de eucharistie herdacht en gevierd. Dat Jezus’ laatste maaltijd, althans bij de evangelisten Markus, Matteüs en Lukas, een echte joodse sedermaaltijd was, dat staat niet elke christen helder voor ogen. Toch kan dit gegeven zo’n viering verdiepen, mits deze niet wordt gezien als vervanging van de echte joodse sedermaaltijd die joden thuis of in de synagoge vieren.

In Jezus’ tijd was de seder zowel een offermaaltijd als een herdenkingsmaaltijd. Bij de seder wordt de bevrijding uit de slavernij in Egypte niet alleen herdacht, maar ook gevierd alsof men die bevrijding weer zelf meemaakt. Toen deze maaltijd nog in Jeruzalem werd genuttigd, behoorde het paaslam ertoe. Dat werd volgens de joodse kalender op de middag van 14 niesan in de tempel geslacht. Daarna werd het aan het spit gebraden en ’s avonds na zonsondergang (op 15 niesan), wanneer de eerste paasdag begonnen was, bij de seder gegeten. Ook de joden die buiten Jeruzalem verbleven, hebben de seder gevierd, maar zonder het paaslam. De sedermaaltijd heeft zijn wortels tot diep in de Oudheid en verliep volgens een bepaalde orde (Hebreeuws: seedèr). Die orde bestond al in de tijd van Jezus en wordt tot op de dag van vandaag door de joden gevolgd. Op enkele onderdelen na en met uitzondering van de precieze formuleringen is de huidige seder gelijk aan die van Jezus en zijn discipelen.

De sederliturgie bestaat vandaag uit vijftien onderdelen, waarvan een aantal voor de verhalen over Jezus’ laatste maaltijd van belang is. Ik beperk me even tot de verhalen van de evangelisten Matteüs (26:21-30) en Lukas (22:14-39). Het vergelijken van deze verhalen met de sederliturgie kan ons helpen ze beter te begrijpen. Bijvoorbeeld de theologisch belangrijke vraag of Jezus tijdens deze maaltijd een nieuw verbond (hét Nieuwe Verbond) heeft gesticht, kan erdoor van een verrassend antwoord worden voorzien. Voordat ik de onderdelen van de seder kort bespreek, geef ik een overzicht van beide evangelieverhalen. Ter wille van de vergelijking met de sederliturgie deel ik beide verhalen op in tekstblokjes.

M1 (Matteüs 26: 21-25): Jezus en zijn discipelen gaan aan tafel. Jezus kondigt het verraad door Judas aan. Het steken van de hand in de schotel en de droefheid van de discipelen worden vermeld.
M2 (Matteüs 26:26) Jezus spreekt de zegen uit over het brood en deelt dit met zijn discipelen.
M3 (Matteüs 26:27-29) Jezus spreekt de zegen uit over de beker met wijn, zegt de woorden “dit is mijn bloed van het verbond” en laat de beker rondgaan.
M4 (Matteüs 26:30) Het gezelschap zingt de lofzang en beëindigt de maaltijd.

L1 (Lukas 22:14-18) Jezus en zijn discipelen gaan aan tafel. Jezus spreekt de zegen uit over de beker en laat die rond gaan.
L2 (Lukas 22:19) Jezus spreekt de zegen uit over het brood en deelt het met zijn discipelen.
L3 (Lukas 22:20) Jezus spreekt (nogmaals) de zegen uit maar nu over de “beker na de maaltijd”. Daarbij zegt hij: “deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed,” en laat de beker rondgaan.
L4 (Lukas 22:21-38) Er volgen nu gesprekken tijdens de maaltijd, die worden ingeluid door de aankondiging van het verraad door Judas.
L5 (Lukas 22:21:39) Na de maaltijd vertrekt het gezelschap.

We zien dat er met het blokje L3 iets vreemds aan de hand is. Daarin wordt de “beker na de maaltijd” gebruikt, terwijl de gesprekken aan de maaltijd nog moeten beginnen. We lopen de vijftien onderdelen van de seder bij langs en zullen dan zien hoe beide evangelieverhalen daarin passen en wat er met dit blokje L3 aan de hand is.

  1. Inwijding van het feest. De gebruikelijke zegen over de eerste beker wijn wordt uitgesproken: “Geprezen, Jij, EEUWIGE, onze God, koning van de wereld, schepper van de vrucht van de wijnstok,” waarna de beker wordt leeggedronken. Dit is de beker en de zegen waarmee Lukas begint (blokje L1). Hier geen woorden over het verbond, want dat thema speelt bij deze eerst beker geen rol in de seder.
  2. Handen wassen. De leider van de seder, wast de handen zonder een lofprijzing uit te spreken.
  3. Eten van lichte groenten gedoopt in zout water. Lichte groenten (bijvoorbeeld peterselie) worden in een schotel zout water gedoopt en gegeten. Eerst doet de leider van de seder dit, daarna de andere deelnemers. Het zoute water is een herinnering aan de tranen van de Israëlieten in Egypte. Dit is het onderdeel waarmee Matteüs zijn verhaal begint (blokje M1). Jezus kondigt het verraad van Judas aan, heeft het over dopen van de hand in de schotel (met zout water). De droefheid van de discipelen sluit aan bij de tranen van de Israëlieten in Egypte.
  4. Breken van het middelste paasbrood. Voordat de seder begon, zijn drie paasbroden (matsot) op elkaar gelegd. Het middelste van de drie wordt nu gebroken en een deel daarvan (de afikoman) wordt verstopt om later na de maaltijd door de kinderen te worden gezocht. Men spreekt hier niet de zegen over het brood uit, omdat er nog niet meteen van gegeten wordt.
  5. Optillen van de sederschotel. De sederschotel met daarop de diverse ingrediënten die in de liturgie een rol spelen, wordt omhoog getild en men zingt, kijkend naar de ongerezen paasbroden (matsot), het lied: “Dit is het brood van de vernedering dat onze voorouders in Egypte gegeten hebben.”
  6. Tweede beker en het verhaal over de uittocht. Nu wordt de tweede beker wijn ingeschonken. Deze wordt niet direct gedronken. Eerst stelt de jongste deelnemer van het gezelschap (vaak een kind) de vraag: “Waarin verschilt deze avond van alle andere avonden?” (het bekende lied Mah nisjtanah). Dan wordt het verhaal over de uittocht uit Egypte verteld. Daarna wordt het eerste deel van de Lofzang (Hallel) gezongen (Psalm 113 en 114). Zonder de zegen over de wijn nogmaals uit te spreken, wordt nu de tweede beker leeggedronken.
  7. Het wassen van de handen. De eigenlijke maaltijd komt eraan: Alle aanwezigen wassen hun handen waarbij de gebruikelijke lofprijzing over het handen wassen vóór de maaltijd wordt uitgesproken. Dit was een rite die in Jezus’ tijd ter discussie stond. Wellicht kwam dit onderdeel in Jezus’ seder niet voor.
  8. De zegen over het brood. Aan het begin van de eigenlijke maaltijd wordt de gebruikelijke zegen over het brood uitgesproken: “Geprezen, Jij, EEUWIGE, onze God, koning van de wereld, die het brood uit de aarde doet voortkomen.” Het brood wordt gebroken en gegeten. Beide evangelisten hebben dit onderdeel in hun verhaal verwerkt (blokjes M2 en L2). Omdat brood in een joodse context een symbool is voor iemands Tora-onderwijs, willen Jezus’ woorden: “Dit is mijn lichaam,” niets anders zeggen dan: “Houd je tijdens je maaltijden bezig met het Tora-onderwijs dat ik je gegeven heb en neem het tot je.” Met een nieuw verbond hebben deze worden niets te maken.
  9. Het eten van bittere kruiden. Er worden bittere kruiden (maror) gegeten, die eerst worden ingedoopt in een schotel met een zoete pastei, gemaakt van amandelen, appels en wijn (charóset). Deze pastei is onder andere bedoeld om de smaak van de bittere kruiden te verzoeten. De bitterheid van Egypte wordt opgeheven door de zoete smaak van de bevrijding.
  10. Eten van paasbrood met bitterkruid. Ter herinnering aan de tempel wordt een gewoonte van Hillel gevolgd. Hillel was een van de grote joodse geleerden vlak voor de tijd van Jezus en qua opvattingen waren beiden zeer verwant. Hij was de grondlegger van het huidige rabbijnse jodendom. Op deze plaats in de seder had hij de gewoonte een stukje van het paaslam met bitterkruid (maror) en ongerezen brood (matsah) te eten. Ook van dit onderdeel is het de vraag of het tot de sederliturgie van Jezus heeft behoord.
  11. De gewone maaltijd. Hier volgt de gewone maaltijd die men zo lang mag rekken als men wil. Tijdens dit deel kunnen er gesprekken worden gevoerd over allerlei zaken die men de moeite waard vindt. Bij Lukas gaat het dan om blokje L4. Aan het begin van deze tafelgesprekken vindt de aankondiging van het verraad door Judas plaats, maar zonder het indopen in het zoute water en zonder de droefheid van de discipelen. Die thema’s spelen immers op dit moment in de seder geen rol. Ook de gesprekken tijdens de maaltijd die daarna volgen, behoren bij dit elfde onderdeel van de seder.
    We zien nu waarom er iets vreemds is aan het blokje L3 met de beker wijn en de woorden over een nieuw verbond. Dat blokje staat nu na onderdeel 8 (blokje L2) en vóór onderdeel 11 (blokje L4). Maar tussen de onderdelen 8 en 11 is er helemaal geen beker met wijn in de sederliturgie! We hebben hier dus te doen met een z.g. glosse, een latere toevoeging aan de tekst. Overschrijvers van de handschriften van het Lukasevangelie hebben in het originele verhaal de beker na de maaltijd met de woorden over het verbond gemist. Ze hebben die aan het verhaal toegevoegd met een tekst die sprekend lijkt op een tekst uit een brief van Paulus (zie 1 Korinthiërs 11:23-26). Maar omdat zij de sederliturgie niet meer kenden, hebben zij deze beker op de verkeerde plek in de tekst gezet! Zij hadden dat beter bij onderdeel 13 kunnen doen, maar waren simpelweg niet meer op de hoogte. Dit stukje tekst (L3) heeft dus niet tot Lukas’ oorspronkelijke verhaal behoort. Van het instellen van een “nieuw verbond” is daarom ook bij Lukas geen sprake.(*)
  12. Het zoeken van de afikoman. Door de kinderen wordt het verborgen stukje brood (afikoman) gezocht, waarna er niet meer gegeten mag worden.
  13. Derde beker en het dankgebed. De derde beker wijn wordt nu ingeschonken en het dagelijkse dankgebed na de maaltijd wordt uitgesproken ter afsluiting van de maaltijd. Dit gebed bevat drie lofprijzingen op God:
    1) voor het voedsel;
    2) voor het verbond, de Tora en het land Israël;
    3) voor het herstel van Jeruzalem, de tempel en het koningschap van David. Daarna wordt de beker leeggedronken. Matteüs heeft deze beker vermeld (blokje M3). Dat het hier inderdaad om het dankgebed na de maaltijd gaat, wordt onderstreept door Jezus’ woorden over het verbond (26:28). Thematisch hangen die samen met de inhoud van de tweede lofprijzing van dit dankgebed, die over het verbond gaat. Merk op dat in de originele tekst van Matteüs staat: “Dit is mijn bloed van het verbond,” en niet zoals in sommige vertalingen: “Dit is het bloed van mijn verbond.” Jezus zegt hier dus dat hij bereid is zijn bloed te geven (te sterven) voor het aloude Toraverbond van Mozes en Israël met de Eeuwige. Hij was er beslist niet op uit een eigen, ander, nieuw verbond te stichten.
  14. Vierde beker en de lofzang. De vierde beker wordt ingeschonken, waarna het tweede deel van de Lofzang (Hallel), dat bestaat uit Psalm 115 t/m 118, wordt gezongen. Daarna volgt de zegen over de vierde beker wijn en wordt deze leeggedronken. Matteüs vermeldt de Lofzang na de maaltijd (blokje M4).
  15. Afsluiting. De seder wordt besloten door elkaar toe te zingen dat men de seder “volgend jaar in Jeruzalem” hoopt te vieren. Deze gewoonte heeft waarschijnlijk in Jezus’ tijd niet be-hoord tot de seder in Jeruzalem, maar de “thuisblijvers” elders in het land en in de diaspora hebben dit elkaar ongetwijfeld toegewenst.

We zien dat Matteüs en Lukas hun verhaal over Jezus’ laatste sedermaaltijd hebben opgebouwd elk met andere onderdelen van de sederliturgie. Dat roept de vraag op wat beide evangelisten daartoe heeft bewogen. We zagen dat geen van beiden de bedoeling had steun te geven aan de opvatting dat Jezus tijdens deze maaltijd een nieuw verbond zou hebben gesticht ter vervanging van het oude Sinaiverbond. Maar wat zit er dan wel achter hun verschillende weergaven? Zeker niet het historische verloop der gebeurtenissen. Dat was voor hen als joodse verhalenvertellers van veel minder belang dan de betekenis van Jezus’ leven en dood doorgronden met behulp van de sederliturgie. Hun verschillende weergave heeft alles te maken met hun meningsverschil over de messiaanse strategie die Jezus in hun ogen had verkondigd en voorgeleefd. Voor Matteüs lag de sleutel tot de messiaanse tijd bij Mozes in het leerhuis, voor Lukas lag die bij Elia in de samenleving. Het is een oud meningsverschil dat nog steeds actueel is zowel in het jodendom als in het christendom. In de rabbijnse literatuur komen we het tegen in de vraag: “Wat is belangrijker, Tora studeren of Tora doen?” Helaas ontbreekt hier de ruimte om daar verder op in te gaan. De inhoud van dit artikel is uitgebreider te vinden in mijn onlangs heruitgegeven boek Christendom à la Jezus.

(*) Die glosse begint al eerder in de tweede helft van vers 19, maar voor de eenvoud heb ik mij hierboven beperkt tot vers 20.

Dit artikel werd gepubliceerd in: Judaica Bulletin 30 nr. 3, april 2017, van de Stichting Judaica Zwolle.
This is the website of Peter van 't Riet