Vraag&Antwoord

Vreemdelingen in Tenach (1) - Peter van 't Riet - 2014
Mochten vreemdelingen in Israƫl deelnemen aan de feesten?

Vraag : In Exodus 12:43 staat dat een vreemdeling niet mag eten van het paaslam tenzij hij besneden is. In Deuteronomium 16 wordt de vreemdeling bij het paasfeest niet vermeld, maar mag hij wel deelnemen aan het wekenfeest/pinksteren (sjavoe'ot). Ook zie ik een verschuiving van het eten van het paaslam in huis (Exodus 12) naar het eten ervan in de Tempel (Deuteronomium 16). Kun je hieruit de conclusie trekken dat vreemdelingen wel mee mogen doen met de paasmaaltijd (seder), maar niet mogen eten van het lam? En heden ten dage niet mogen eten van de afikoman, het symbolische paaslam? En waarom mag een vreemdeling wel deelnemen aan sjavoe'ot, maar niet aan het eten van het paaslam?

Antwoord : Terecht concludeer je dat er een verschuiving is qua plaats van handeling tussen Exodus 12:46 (in één huis zal het gegeten worden) en Deuteronomium 16:7 (eten op de plaats die de Eeuwige, jullie God, verkiezen zal, en in de morgen de terugreis naar je tenten aanvaarden). In de joodse traditie wordt onderscheid gemaakt tussen het paasfeest (pesach) in Egypte (Exodus 12) en het paasfeest van de latere generaties in de tempel (waar Deuteronomium 16 over gaat). Voor beide paasfeesten gelden niet dezelfde regels. Het eerste werd thuis gevierd inclusief het paaslam, het tweede in de tempel in Jeruzalem.

Na de verwoesting van de tempel in 70 CJ hebben we alleen nog maar te maken met een derde situatie: de paasmaaltijd (seder) thuis maar zonder paaslam. Zelf ga ik ervan uit dat die sedermaaltijd er ook al was in de tijd van de tempel. Je kunt je immers niet voorstellen dat de vele joden die niet naar Jeruzalem konden afreizen, in hun dorpen en steden op de eerste avond van pesach iets anders gedaan hebben dan bij elkaar komen om een sedermaaltijd met elkaar te vieren op hetzelfde moment als degenen die dat in Jeruzalem deden. Deze sedermaaltijd thuis zonder paaslam is waarschijnlijk zo oud als de tempel zelf.

Op enig moment is bij die maaltijd het gebruik van de afikoman ontstaan. Een stuk ongerezen brood (matsah) wordt in het begin van de maaltijd verstopt en aan het eind door de kinderen gezocht en gevonden. Waarschijnlijk is dat gebruik in de diaspora ontstaan, want het woord 'afikoman' is van Griekse origine. In de Talmoed staat dat de afikoman gegeten moest worden voordat het laatste stukje van het paaslam werd genuttigd, want daarna mocht men niets meer eten. Daarom is de afikoman later een herinnering aan (geen vervanging van) het paaslam geworden.

Dan nu de vreemdelingen. Dat je voor de vraag kwam te staan, is begrijpelijk. De vertalingen van de teksten zetten ons op het verkeerde been. In het Hebreeuws zijn er namelijk twee uitdrukkingen voor 'vreemdeling'. De belangrijkste is 'geer' (met een harde g). Een 'geer' is iemand van een ander volk die binnen Israël is geïmmigreerd. Hij is als zodanig aanvaard en geniet bescherming. Hij heeft zich zo veel mogelijk aangepast aan de regels en gebruiken van de Israëlitische samenleving. Een 'geer' is dus een 'vreemdeling' die zich houdt aan de Tora. Daarbij moet je bedenken dat de Tora andere eisen stelt aan besneden Israëlieten (joden), dan aan onbesneden vreemdelingen. In de Tora is een 'geer' iemand die niet besneden is, maar wel zo veel mogelijk Israëlitisch-joods leeft. Je zou hem het beste een 'loyale vreemdeling' kunnen noemen. In het Nieuwe Testament komen we deze groep tegen als 'godvrezenden'. In de latere rabbijnse literatuur wordt het woord 'geer' zelfs gebruikt voor proselieten, personen tot het jodendom zijn overgegaan en, als zij man zijn, zich hebben laten besnijden.

Daarnaast is er het woord 'neechaar'. Dat is de vreemdeling die zich van de Tora niets aantrekt. Rasji omschrijft hem als "iemand wiens handelingen vervreemd zijn van zijn Vader in de hemel, een heiden zowel als een afvallige." In Exodus 12:43 gaat het over deze 'neechaar' (de niet-loyale vreemdeling): "De Eeuwige zei tot Mozes en Aäron: Dit is de inzetting van het Pascha: geen enkele (zoon van een) vervreemde (kol-ben-neechaar) mag ervan eten." Dus ook niet als hij besneden is. Met de 'geer' (de loyale vreemdeling) is het echter iets anders gesteld.

Al in Exodus 12:19 lezen we dat de 'geeriem' (mv. van 'geer') zich ook aan bepaalde regels van het paasfeest moeten houden: "Zeven dagen zal er geen zuurdeeg in jullie huizen gevonden worden, want ieder, die iets gezuurds eet, zo iemand zal uit de vergadering van Israël worden uitgeroeid, hetzij hij een vreemdeling (geer), hetzij hij in het land geboren is." Ongetwijfeld hebben de 'geeriem' aan de sedermaaltijd buiten Jeruzalem mogen meedoen, zoals vandaag nog altijd het geval is met niet-joden. Alleen voor de sedermaaltijd in Jeruzalem gold in de tijd van de tempel dat 'geeriem' alleen van het paaslam mochten eten als zij zich hadden laten besnijden. In Exodus 12: 48 lezen we: "Maar wanneer een vreemdeling (geer) bij jullie vertoeft en voor de Eeuwige het paaslam wil vieren, dan zal ieder van het mannelijk geslacht, die bij hem behoort, besneden worden; eerst dan mag hij naderen om het te vieren; hij zal gelden als in het land geboren. Maar geen enkele onbesnedene mag ervan eten." Deze regel hoefde in Deuteronomium 16 niet herhaald te worden, omdat zij niet anders werd opgevat dan in Exodus 12.

Net zo als 'geeriem' (loyale vreemdelingen) aan het paasfeest meededen (m.u.v. het eten van het paaslam), konden zij ook meedoen aan de andere feesten. In Deuteronomium 16:10-11 lezen we: "Dan zullen jullie het feest der weken (sjavoe'ot/pinksteren) vieren ter ere van de Eeuwige, jullie God, […] je zult je verheugen voor het aangezicht van de Eeuwige, je God, jullie met je zoon en je dochter, je dienstknecht en je dienstmaagd, met de Leviet, die binnen je poorten woont, en met de vreemdeling (geer), de wees en de weduwe, die in je midden zijn […]." Hetzelfde geldt voor het Loofhuttenfeest (Deuteronomium 16:13 en 14). Ook daar gaat het om de 'geer' (de loyale vreemdeling) en niet om de 'neechaar' (de niet-loyale vreemdeling).

Tot slot nog iets over de afikoman als onderdeel van de sedermaaltijd. De afikoman is niet het paaslam, maar alleen een gedachtenis eraan uit de tijd na de tempel. Ook niet-joden kunnen het paaslam gedenken. Voor zo ver mij bekend is er geen verbod voor niet-joden om ervan te eten.


This is the website of Peter van 't Riet