Artikel - Nieuwe Testament

De gelijkenissen van de talenten en de ponden - Peter van 't Riet - 2020
Hoe Lukas een gelijkenis van MatteĆ¼s aanpaste aan zijn eigen messiaanse strategie

In Matteüs 25:14-30 lezen we de ‘gelijkenis van de talenten’, in Lukas 19:11-27 die ‘van de ponden’. Beide gelijkenissen lijken veel op elkaar, maar er zijn ook een paar belangrijke verschillen. De gangbare uitleg van beide gelijkenissen is dat een mens moet “woekeren met zijn talenten”. Maar, kun je je afvragen, is de waardering voor de knechten die zulke extreme winsten maken en het verwijt het geld niet op de bank te hebben gezet, niet in strijd met het verbod op rente en het maken van woekerwinst? Om zicht te krijgen op de bedoeling van deze gelijkenissen moeten we allereerst goed letten op de setting waarin zij verteld worden. Die verschilt bij beide evangelisten aanzienlijk. Hieronder zal ik beide gelijkenissen afzonderlijk bespreken en daarna enkele conclusies trekken.

De gelijkenis van de talenten bij Matteüs
De gelijkenis van de talenten volgt bij Matteüs op de gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden. Die gelijkenis begint met de woorden: “Dan zal het koninkrijk der hemelen vergeleken worden met…” Het onderwerp is dus het koninkrijk der hemelen. In vers 14 gaat deze gelijkenis direct over in de volgende gelijkenis met de woorden: “Want het is als een mens, die…” Dat wil zeggen dat het nog steeds over het koninkrijk der hemelen gaat. De aantallen talenten sluiten daar ook bij aan. De getallen vijf en twee kennen we uit de verhalen over de wonderbare spijziging. De vijf broden staan daar voor de vijf boeken van de Tora, de twee vissen voor de overige afdelingen van de Schrift, te weten de Profeten en de Geschriften. Dat is de Schrift zoals die door de meerderheid van het joodse volk werd en wordt aanvaard. Het gaat dus in deze gelijkenis om het werken met en het “vermenigvuldigen” van Tora en joodse traditie ook als de heer des huizes afwezig is, d.w.z. als het koninkrijk der hemelen er nog lang niet is. De economische metafoor van het zaken doen en er het dubbele bijverdienen – wat in economische zin niet verkeerd is, zolang het maar eerlijk gebeurt – staat in deze gelijkenis voor de wijze waarop de meeste joodse groepen met de Schriften omgingen en omgaan: Ze bestuderen die en vullen die aan met een grote hoeveelheid bijbelcommentaren, interpretaties, toepassingen, verklaringen van het wereldgebeuren en verhalen over alle facetten van het leven.

Als contrast wordt de knecht die één talent kreeg, opgevoerd. Het is niet met zekerheid te zeggen, maar het zou heel goed kunnen zijn dat Matteüs hiermee de Sadduceeën bedoeld heeft, de aristocratische bovenlaag van Judea die maar één gezaghebbend geschrift erkende en wel de letterlijk op te vatten tekst van de Tora. Daar hoefde niet op gestudeerd te worden, want ze meenden dat het volstrekt duidelijk was wat erin stond. En wat er niet letterlijk in stond, daarin voelden zij zich vrij te doen wat ze wilden. De sadducese traditie was een gestolde traditie die niet hoefde te worden aangepast aan de eisen van de tijd en waar dus niets meer aan toegevoegd hoefde te worden. Dat is het beeld van het in de grond gestopte talent.

Wat de bankiers betreft, dat is een beeld dat goed past bij de Sadduceeën, want waarschijnlijk hadden velen van hen hun geld bij de bankiers ondergebracht. Dat hoeft niet per se in strijd te zijn met de Tora, want dan hadden zij het niet gedaan. De Tora verbiedt alleen het vragen van rente aan de ‘broeder’, de volksgenoot, de Israëliet. Dat wil dus zeggen dat het renteverbod alleen van toepassing was tussen joden onderling. Je kunt dat vergelijken met onze sociale voorzieningen die in beginsel ook alleen voor Nederlanders zijn en niet voor willekeurige buitenlanders. Van niet-joden mocht men wel rente vragen, zoals men aan niet-joden ook rente mocht betalen. Met de bankiers in vers 27 zullen dan ook niet-joodse bankiers zijn bedoeld. In de beeldtaal van de gelijkenis zou je dat kunnen interpreteren als: Sadduceeën, doe dan met je ene talent tenminste nog iets goeds voor de zaak van Israël bij je niet-joodse vrienden, de Grieken en Romeinen (de bankiers) waar je dagelijks mee omgaat. Dan heeft het koninkrijk der hemelen er nog iets aan. Maar ook daarin waren de Sadduceeën niet echt geïnteresseerd. Zij intervenieerden niet bij de Romeinen voor het welzijn van het volk bijvoorbeeld door om verlichting van de belastingdruk te vragen. Integendeel, zij collaboreerden met de Romeinse overheid mede om hun eigen leidinggevende positie in Judea veilig te stellen.

Dat de knecht van het ene talent tot slot in de buitenste duisternis wordt geworpen, sluit bij het voorgaande aan. Matteüs schreef zijn evangelie omstreeks 80 CJ, tien jaar na de val van Jeruzalem in 70 CJ. Toen was al wel duidelijk dat de Sadduceeën in de vier jaar durende Joodse oorlog (66-70 CJ) ten onder waren gegaan. Zij hebben de opstand van de Zeloten tegen de Romeinen in 66 CJ en de verwoesting van Jeruzalem en de tempel door de Romeinen in 70 CJ niet overleefd.

Met deze gelijkenis roept Matteüs zijn joods-christelijke gemeente op: blijf deel uitmaken van het joodse volk door vast te houden aan de Tora, de Profeten en de Geschriften, want anders zal je net als de Sadduceeën verdwijnen in de golven van de geschiedenis. Het is de enige manier om het Romeinse rijk te overleven. Heel anders is de gelijkenis van Lukas.

De gelijkenis van de ponden bij Lukas
Deze gelijkenis in Lukas 19:11-27 spreekt Jezus uit vlak voordat hij Jeruzalem binnengaat. Hij doet dat met oog op de discipelen en het volk die “meenden, dat het koninkrijk Gods terstond openbaar zou worden.” Er circuleerden in die dagen allerlei messiaanse verwachtingen onder het volk. Er waren allerlei messiaanse strategieën in omloop. Onder het “gewone volk” (am ha-arèts) van Judea, maar vooral van Galilea waar Jezus vandaan kwam, heerste het geloof dat de messias al onder hen moest zijn en zich elk moment op het Paasfeest in Jeruzalem kon openbaren. Dan zou hij de opstand tegen de Romeinen en hun handlangers beginnen en met behulp van twaalf legioenen engelen uit de hemel het land bevrijden en Israël zijn zelfstandigheid teruggeven. Van dergelijke messiaspretendenten zijn diverse voorbeelden uit de 1e eeuw bekend en de apocalyptische literatuur uit die tijd geeft alle aanleiding tot een dergelijke hooggespannen messiasverwachting. In deze gelijkenis wijst Jezus echter een dergelijke gewelddadige komst van het koninkrijk Gods van de hand door er een tegenbeeld van te schetsen. Hij doet dat door omfloerst te refereren aan een historische gebeurtenis die enkele decennia eerder had plaatsgevonden.

Toen in 4 vCJ Herodes de Grote stierf, stond in zijn laatste testament dat zijn rijk verdeeld moest worden onder drie van zijn zonen: Archelaos zou Judea, Idumea en Samaria krijgen, Antipas Galilea en Perea en Philippus de gebieden ten noordoosten van Galilea. Archelaos claimde echter als oudste van de drie het hele rijk van Herodes inclusief de koninklijke titel. Hij durfde die alleen niet op te eisen zonder goedkeuring van keizer Augustus. Daarom reisde hij naar Rome om Augustus voor zich te winnen. Maar de Judeeërs stuurden een delegatie achter hem aan om er bij keizer Augustus voor te pleiten het testament van Herodes niet uit te voeren en geen van zijn zonen als bestuurder aan te stellen. Augustus was echter een echte Romein die de ‘potestas (onbeperkte macht) van de vader’ aanhing en hij besloot dat Herodes’ laatste testament moest worden uitgevoerd. Archelaos kreeg de titel ethnarch (‘volksheerser’) in plaats van ‘koning’. Daarna regeerde hij in Judea met harde hand en de Judeeërs die tegen hem gepleit hadden, zullen dat ongetwijfeld geweten hebben.

Het is op een enkel detail na precies deze situatie die in de gelijkenis van de ponden bij Lukas beschreven wordt. Lukas laat Jezus hier een antibeeld voor het koninkrijk Gods schetsen. In het kader van die vergelijking kan hij het woord ‘ethnarch’ niet gebruiken, maar noemt hij de ‘man van hoge geboorte’ bij diens terugkeer ‘koning’ (vers 15 en 27), als tegenbeeld voor het koningschap van God. De symboliek van de vijf en de twee talenten bij Matteüs is door Lukas vervangen door tien slaven die elk één pond in beheer krijgen. De winsten van de eerste twee slaven zijn exorbitant veel hoger dan bij Matteüs: 900% en 400%. Dat is vermoedelijk een verwijzing naar de roofzuchtige economische politiek van de Herodianen. Wie die politiek goed beheerst, krijgt van de nieuwe koning tien resp. vijf steden onder zijn gezag om de uitbuiting voort te zetten. Maar wie er niet aan mee wil doen, komt met lege handen te staan. En wie de nieuwe vorst weerstreefd heeft, wordt voor diens ogen afgeslacht.

Dat is een totaal andere boodschap dan bij Matteüs en in een heel andere setting. Lukas laat Jezus hier zeggen: Streef het koninkrijk Gods niet na met gewelddadige middelen onder leiding van een messiaspretendent die zich ontpopt tot een revolutionair leider, want dan kom je bedrogen uit. Dergelijke revoluties brengen meestal potentaten aan de macht, die voor nieuwe onderdrukking in plaats van herstel van vrijheid zorgen. Je kunt deze gelijkenis lezen tegen de achtergrond van 1 Samuël 8, waarin Samuël het volk waarschuwt voor de koning die zij zich wensen om “te zijn zoals alle andere volken”. Het is een waarschuwing tegen de autocratische neigingen van leiders die denken dat zij de samenleving naar hun hand kunnen zetten. Lukas zegt: zo zal het koninkrijk Gods er niet komen.

Samenvatting
Beide gelijkenissen geven antwoord op twee heel verschillende vragen. Mijns inziens houdt Matteüs in de gelijkenis van de talenten zijn gemeente in ca. 80 CJ voor om binnen Israël te blijven en de Tora (vijf talenten) en de Profeten en Geschriften (twee talenten) in hun leven vast te houden en te “verdubbelen”. Dat was 30 jaar na Paulus met zijn uiterst kritische houding tegenover de Tora niet meer vanzelfsprekend onder de aanhangers van Jezus.

Lukas echter houdt in de gelijkenis van de ponden (en in heel zijn evangelie) zijn joodse tijdgenoten in ca. 90 CJ voor om tegen de Romeinse bezetting van het land Israël de vreedzame weg van Jezus van Nazareth te volgen en niet de gewelddadige weg van de zeloten. Die zal immers alleen maar het zoveelste tirannieke bewind à la Archelaos opleveren. Tijdens de Joodse opstand van 66-70 CJ tiranniseerden de zeloten immers de bevolking van Jeruzalem om de opstand maar vol te houden. Lukas zet in de Handelingen de vreedzame weg van Jezus voort tot in de diaspora om uiteindelijk de verhouding tussen joden en Romeinen weer te “normaliseren”. De Handelingen eindigen niet voor niets “onder het raam van de keizer.”

De messiaanse strategie van Lukas was een politiek-actieve strategie om het Romeinse rijk te veranderen. De messiaanse strategie van Matteüs was meer een onderduikstrategie om het Romeinse rijk te overleven. Beide staan naast elkaar in het Nieuwe Testament in een voortdurende discussie zoals dat in het Jodendom gebruikelijk was en is.


Voor vragen en antwoorden over de inhoud van dit artikel zie: V&A Gelijkenissen (6), V&A Gelijkenissen (7), V&A Gelijkenissen (8),


This is the website of Peter van 't Riet