Artikelen - Jodendom

Kan een volk dan weten waar het heengaat? - Peter van 't Riet - 1995
Toespraak voor het Genootschap Nederland-IsraŽl afdeling Zwolle ter gelegenheid van Jom Ha'atsmaoeth 5755/1995

(1) Er woonde in Pintschow eens een zeer verstandige en opgewekte jongen, die Jonathan heette en de zoon was van de stadsrabbijn. Op een keer ging de jonge Jonathan tegen de avond de straat op. Een politieman hield hem aan en vroeg hem, waar hij heen ging. De jongen antwoordde: 'Dat weet ik niet.' Om dit brutale antwoord werd hij meegenomen naar het politiebureau. Toen de politiecommandant hem vroeg, waarom hij zo'n brutaal antwoord had gegeven, zei hij: 'Kan een mens dan weten waar hij heengaat? Ik wilde naar de synagoge, maar zie, nu ben ik op het politiebureau.'

Kan een mens dan weten waar hij heengaat?
Kan een volk dan weten waar het heengaat?

Meer dan negentien eeuwen geleden werd Jeruzalem verwoest.
Negentien eeuwen lang gingen de Joden in ballingschap.

Velen dachten toen dat het niet lang zou duren.
Spoedig zou Masjiach komen en hen terugvoeren naar Tsion.

Wie kon toen vermoeden dat zij negentien eeuwen lang op Pessach zouden zingen: 'Volgend jaar in Jeruzalem!'?

Zij wilden naar Jeruzalem, maar kwamen terecht in de kruistochten, de vervolgingen, de pogroms, de concentratiekampen.

Kan een mens dan weten waar hij heen gaat?


(2) Er liep eens een Jood langs de Romeinse keizer Adrianus en zei tegen hem: 'Vrede zij met u!' De keizer werd kwaad en zei: 'Wat een brutaliteit! Hij groet mij alsof ik zijn vriend ben. Onthoofd hem!'
Daarna kwam een tweede Jood langs, die gezien had wat er met de ander was gebeurd. Hij was wijzer en voorzichtiger. Hij deed alsof hij de keizer niet zag en liep langs hem heen zonder hem te groeten. Toen werd Adrianus weer kwaad en zei: 'Wat een brutaliteit! Wat denkt die Jood wel! Hij waagt het mij, de heerser van dit machtige imperium, voorbij te lopen zonder mij te groeten! Ben ik dan niemand voor hem? Dood hem!'
Toen zeiden zijn raadgevers: 'Keizer, wij begrijpen uw handelwijze en uw bevelen niet. De eerste hebt u gedood, omdat hij u groette, de tweede omdat hij u niet groette. Waar blijft hier de logica? Toen antwoordde Adrianus: 'Jullie hoeven mij niet te vertellen om welke redenen ik de Joden moet doden. Ik zal altijd wel een reden vinden!'

Kan een mens dan weten waar hij heengaat?
Kan een volk dan weten waar het heengaat?

Zij wilden vreedzaam leven onder de volken van Europa.
Zij baden elke week voor de vrede van de stad, waarnaar de Eeuwige hen gevoerd had.

Maar er was altijd wel een reden om hen te beschuldigen, te vervolgen of te doden.

Kan een volk dan weten waar het heengaat?


(3) Toen Jonathan van Pintschow een jongeman was geworden, werd hij om zijn wijsheid tot rabbijn van Praag benoemd. Ook de koning wilde weten hoe ver zijn wijsheid reikte. Hij liet hem daarom bij zich roepen en zei hem: 'Luister, ik verlaat de stad. Er zijn twee poorten in de muur, een grote en een kleine. Kun jij me vanuit je grote wijsheid vertellen door welke poort ik als ik van mijn reis terugkeer, de stad binnenga?' De rabbi antwoordde: 'Als ik zeg dat u de ene kiest, zult u de andere nemen. Geef me daarom een vel papier, dan zal ik daar het antwoord op schrijven dat God mij ingeeft. Het vel papier zal ik in een enveloppe doen en die goed verzegelen. De enveloppe moet tot uw terugkeer in de koninklijke schatkamer worden bewaard. Na uw terugkomst maakt u de enveloppe in aanwezigheid van de vorsten open, zodat ze allemaal het antwoord horen.' Dit voorstel beviel de koning en aldus gebeurde het. Daarna steeg de koning op zijn paard en vertrok met zijn gevolg.

Toen de koning terugkeerde en bij de stadsmuur kwam, dacht hij bij zichzelf: 'Ik heb twee poorten voor me en ik weet niet welke ik moet kiezen om het antwoord van de rabbi fout te laten zijn. Maar omdat iedereen door de grote poort naar binnen gaat, heeft de rabbi vast geschreven, dat ik door de kleine ga omdat een koning nu eenmaal anders doet dan normaal is. Daarom moet ik net als alle burgers de grote poort kiezen. Dan is het antwoord van de rabbi verkeerd.' Maar toen de koning de grote poort naderde, bedacht hij: 'Het is mogelijk dat de rabbi mijn gedachtengang heeft geraden en dus geschreven heeft dat ik door de grote poort naar binnen ga. Daarom is het beter dat ik door de kleine poort naar binnen ga om zo zijn voorspelling te weerleggen.' Hij stond bij de stadsmuur en aarzelde en twijfelde. Hij kon geen besluit nemen. Hij was helemaal in de war en wist niet wat hij moest doen.

Toen kreeg hij een idee: hij zou ergens een gat in de muur laten maken en daardoor naar binnen gaan. De koning gaf zijn knechten de opdracht en zij maakten een bres in de muur, tussen de beide poorten. Toen trok de koning door de nieuwe poort de stad binnen. Hij was in opperbeste stemming en dacht: 'Nu zullen de woorden van de rabbi onjuist blijken te zijn.'

In het paleis aangekomen liet hij onmiddellijk de rabbi halen. Opgeruimd ontving hij hem, terwijl de vorsten aan weerszijden van hem zaten. De koning liet de enveloppe met het antwoord van de rabbi uit de schatkamer halen. Men onderzocht de enveloppe van alle kanten, maar deze bleek onaangeroerd te zijn. Een van zijn dienaren verbrak het zegel, opende de brief en las de woorden van de rabbi: 'De koning mag zich een weg banen zonder dat iemand het hem kan verbieden.' De koning was zeer verbaasd en vroeg aan de rabbi: 'Hoe ben je op het idee gekomen om deze woorden op te schrijven?' En de rabbi antwoordde: 'Ik bedacht bij mijzelf dat mijn Heer de Koning alle mogelijke manieren zou bedenken om mijn woorden te weerleggen. En omdat het in uw macht ligt om alles te doen wat u wilt, handelde ik naar de woorden van onze wijzen en schreef wat er uitdrukkelijk in de Talmoed staat. En de woorden van onze leraren zijn bewaarheid, omdat ze voortkomen uit de Tora, de bron van de waarheid. Daaruit is mijn kennis en mijn wijsheid afkomstig.'

Kan een mens dan weten waar hij heengaat?
Kan een volk dan weten waar het heengaat, als er altijd wel een reden is om het te vervolgen?

Hoe ben je op het idee gekomen om deze woorden op te schrijven?
Waar haalt een volk negentien eeuwen de moed vandaan?

Hoe kan het koers houden op de woorden van zijn wijzen zonder te weten waar het heengaat?
Zonder te weten wanneer het aankomt?

In de diepste duisternis van het concentratiekamp verwoordde de twaalfjarige Esther Sjtoeb, van wie we verder niets, maar dan ook niets weten, dat wonderlijke, vasthoudende, onredelijke geloof van eeuwen her.


(4) Een, twee, drie,
wanneer zullen we vrij zijn:
hongerig, blote voeten, in lompen,
van vader en moeder afgesneden,
God, wat doet dat pijn.

Een, twee, drie,
de dag wil niet voorbij,
tegels, planken, stenen sjouwen
en botten van dode mensen,
God, wat doet dat pijn.

Een, twee, drie,
hoor mijn schreeuwen
om de naamloze massagraven,
om de kinderen van de scholen,
geen moeder om hen heen.

Een, twee, drie,
wij zullen wel trouw geloven,
wachten en hopen,
omdat Jij ons hebt beloofd:
'Israël leeft!'

Kan een mens dan weten waar hij heengaat?
Kan een volk dan weten waar het heengaat, negentien eeuwen lang?

Deze dagen viert Europa dat het vijftig jaar geleden werd bevrijd van de nazi-beulen en hun horden.
Maar de Europese Joden moesten toen nog drie jaar door een diep dal.

Eerst drie jaar na de grootste van alle verschrikkingen ging de hoop van de twaalfjarige Esther in vervulling.

Dat vieren wij vandaag, op deze zevenenveertigste Jom Ha'atsmaoet.

Voor het eerst veranderde er iets in de wereld van vervolging en dood, die de Europese Joden negentien eeuwen lang gevangen hield:

De staatkundige opstanding van het joodse volk, voorzichtig omschreven als 'het ontluikend begin van onze verlossing'.

Er is in de wereld iets veranderd sindsdien, hoewel niet iedereen dat direct doorhad.


(5) Een Jood wordt verhoord in het communistische Polen: 'Je hebt familie in het buitenland?' 'Nee.' 'Wat nee? Wie is dan David Cohen in Tel-Aviv?' 'Dat is mijn broer.' 'En wie is Chaia Goldbaum in Haifa?' 'Dat is mijn zuster.' 'Bliksems nog aan toe, nou zal ik het je nòg een keer vragen: Heb je familie in het buitenland, ja of nee?' 'Nee, werkelijk niet! Ik ben de enige van mijn hele familie die in het buitenland woont.'

Kan een volk dan weten waar het heengaat?

Sinds zevenenveertig jaar is: 'Volgend jaar in Jeruzalem' niet alleen een vrome wens.

Wie vandaag naar Jeruzalem wil, kan er heen gaan.

Wat men daar aantreft, is geen paradijs.
Het is inderdaad nog maar het ontluikend begin van de verlossing.

Maar het is wel een van de eigenaardigste en interessantste landen van de wereld.


(6) In Israël zit een Jood onder de sinaasappelboom van een ander. Hij doet zich tegoed aan de frisse, sappige vruchten. De eigenaar van de tuin betrapt hem op de diefstal en scheldt hem uit met lelijke woorden in de heilige taal. Daarbij citeert hij de tien geboden. De dief hoort hem aan, begint te glimlachen en zegt ontroerd: 'O, wat heerlijk, wat mooi is ons Heilige Land! Men zit in de schaduw van een boom, men eet verse sinaasappels en leert op de koop toe een hoofdstuk uit de Tora!'

De joodse dief is net als elke andere dief bestemd voor het politiebureau.
Maar als hij wordt opgebracht door iemand als rabbi Jonathan uit Pintschow,
dan komt hij wellicht in de synagoge terecht.

Kan een mens dan weten waar hij heengaat?

Israël is geen land van harmonie.
Het is een land vol tegenstellingen.
Qua geschiedenis.
Qua bevolkingsgroepen.
Qua politieke groeperingen.
Qua godsdiensten.

Kan Israël dan weten waar het heengaat?

De weg naar vrede en gerechtigheid is een lange en moeizame weg.
Misschien zijn er nog wel negentien eeuwen nodig.

Wij kunnen Israël en onze joodse vrienden slechts toewensen:
Vaar op het kompas van je traditie, ook de volgende zevenenveertig jaar.

Mazzel tov.


Noten
1    Nieuwe joodse sprookjes en verhalen, Israel Zwi Kanner, pag. 82.
2    Oude joodse sprookjes en verhalen, Israel Zwi Kanner, pag. 149.
3    Nieuwe joodse sprookjes en verhalen, Israel Zwi Kanner, pag. 82-84.
4    Met bloed en niet met inkt is dit geschreven, Chanah Milner (Ed.), pag. 30-31.
5    Joodse humor, Salcia Landmann, pag. 270.
6    Jiddische anekdoten en spreekwoorden, Salcia Landmann, pag. 161.
 

Deze toespraak verscheen eerder in: Judaica Bulletin 8 nr. 4, juli 1995.
This is the website of Peter van 't Riet