Artikelen Jodendom

Wie waren de Farizee├źn? (1) - Peter van 't Riet - 2022

In de serie ‘Paulus’ jeugd en jonge jaren’ werk ik momenteel aan het derde deel: Paulus’ leertijd in Jeruzalem. In dat nieuwe boek, dat hopelijk in 2022 zal verschijnen, ga ik na welke invloed er van het Aramese Jodendom uit de 1e eeuw CJ in Paulus’ brieven is terug te vinden. Speciaal de invloed van de Farizeeën is daarbij van belang, omdat veel exegeten van mening zijn dat Paulus farizees is opgevoed en een farizese opleiding heeft genoten. Twee hoofdstukken van het boek zijn daarom aan de Farizeeën gewijd. In dit artikel vindt u een voorpublicatie van het begin van het eerste hoofdstuk over deze joods-religieuze beweging. Noten heb ik achterwege gelaten. Die kunt u te zijner tijd in het boek vinden.

Wie waren de Farizeeën?
In de tijd van Jezus en Paulus (1 – 64 CJ) vormden de Farizeeën een belangrijke groepering in het Aramese Jodendom, speciaal in Judea en Jeruzalem. Het meest bekend zijn zij uit de evangeliën, waarin zij vaak als tegenstanders van Jezus worden beschreven. Maar wat weten we van hen? Wie waren zij? Hoe zagen zij zichzelf? En hoe werden zij door anderen gezien?

Over de Farizeeën van vóór het jaar 70 CJ – toen Jeruzalem en de tempel werden verwoest door de Romeinen – zijn we slechts fragmentarisch geïnformeerd. Omdat zij hun opvattingen voornamelijk mondeling doorgaven van generatie op generatie, zijn er nauwelijks geschriften van hun hand bekend uit deze periode. Soms worden enkele apocalyptische boeken met de farizese beweging in verband gebracht, maar die relatie is onzeker. De realiteit is vermoedelijk geweest, dat er een enigszins diffuse grens liep tussen de Farizeeën en de Apocalyptici. Sommigen onder de Farizeeën waren meer apocalyptisch “angehaucht” dan anderen, maar het beeld dat de bronnen geven van de Farizeeën, verschilt sterk van dat van de apocalyptische literatuur.Over de Farizeeën zijn we geïnformeerd uit drie verschillende bronnen. In de eerste plaats is er het werk van de joodse geschiedschrijver Flavius Josefus (eind 1e eeuw CJ). Hij vergelijkt de belangrijkste joodse groepen met Grieks-filosofische stromingen en beweert dat de Farizeeën veel verwantschap vertoonden met de Stoïci. Zijn beeld van de Farizeeën is vermoedelijk gekleurd, omdat hijzelf tot hun gelederen heeft behoord en hen niet wilde presenteren als de mede-aanstichters van de opstand tegen de Romeinen in 66 CJ.

In de tweede plaats vinden we informatie over de Farizeeën in het Nieuwe Testament, voornamelijk in de evangeliën. Ook die zijn geschreven na 70 CJ. Deze informatie is eveneens gekleurd, omdat de Farizeeën er vaak in worden voorgesteld als tegenstanders van Jezus. Het beeld is overigens divers: Mattheüs staat negatiever tegenover hen dan Lukas en de vierde evangelist.

Een derde verzameling bronnen wordt gevormd door de vroege rabbijnse literatuur: de oudste overleveringen in de Talmoed, in de Tosefta en in de tannaietische midrasjverzamelingen. De Tannaiem waren de joodse geleerden (rabbijnen) vanaf 70 tot 200 CJ. Zij waren de directe opvolgers van de Farizeeën. Daarom spreken we ook wel over de farizees-rabbijnse traditie. In hun literatuur zijn de gegevens over de Farizeeën tamelijk schaars en niet altijd consistent. Het is zelfs zo dat de rabbijnen het Hebreeuwse woord voor ‘Farizeeën’ (pêroesjiem) niet meer gebruikten als zij het over de farizese leraren van vóór 70 CJ hadden. Liever noemden zij hen de ‘wijzen’ of ‘geleerden’ (chachamiem). Het woord ‘Farizeeën’ (letterlijk ‘zij die zich afscheiden’) krijgt in de Talmoed een andere functie en vaak zelfs een negatieve klank, die verbonden is met zich isoleren en vervreemden van de meerderheid van het volk. Dat verklaart waarom in de geschriften van de rabbijnen de Farizeeën vaak even krachtig worden aangevallen als in de evangeliën, en meestal om dezelfde redenen.

De achtergrond daarvan is, dat de Farizeeën vóór 70 CJ slechts één factie binnen het Aramese Jodendom vormden, terwijl hun rabbijnse opvolgers ná 70 CJ steeds meer de leiding over het hele Jodendom op zich namen. Het beeld dat de rabbijnse literatuur over de periode vóór 70 CJ geeft, is dat hun geleerde (farizese) voorgangers toen al de leiding over het Jodendom in handen hadden. Maar dat is een terugprojectie van de situatie na 70 CJ. Daar komt nog bij dat de meeste tannaietische rabbijnen voortkwamen uit de tolerante en flexibele farizese School van Hillel. Maar deze school was vóór 70 CJ zelf weer een factie binnen de veel grotere farizese beweging geweest. In Jezus’ en Paulus’ tijd – voor de val van Jeruzalem – werd de farizese beweging gedomineerd door de strikte en tamelijk rigide School van Sjammai. Die was na 70 CJ vrijwel verdwenen, ten onder gegaan bij de val van Jeruzalem. Als het om bestuurlijke, joods-wettelijke en leerstellige zaken uit de tijd vóór 70 CJ gaat, moeten we de gegevens uit de rabbijnse literatuur dus net zo voorzichtig gebruiken als die uit het werk van Josefus en de evangeliën. Dat neemt niet weg dat uit deze literatuur een goed beeld is op te maken van individuele farizese leraren en van de belangrijkste kenmerken van de farizese leer.

Hoe is de farizese beweging ontstaan?
De Farizeeën worden door Josefus het vroegst gedateerd tijdens de regering van de makkabese/hasmonese vorst Jonathan (ca. 150 vCJ). Sommige geleerden beschouwen hen als voortgekomen uit de beweging van de Chassideeërs of Chassidiem. Deze beweging van vrome schriftgeleerden (soferiem) – bekend uit de tijd van de Makkabeeënopstand (164 vCJ) – zou dan uiteen zijn gevallen in een priesterlijke tak (de Essenen – later gevestigd in Qoemran) en een tak van lekengeleerden (de Farizeeën). Maar zo’n herkomst is onzeker. De Chassideeërs uit de tijd van de Makkabeeënopstand waren vermoedelijk tsadokitische priesters die aan de wieg van de esseense beweging hebben gestaan. Van de Farizeeën is het waarschijnlijker dat zij pas later in de hasmonese tijd zijn ontstaan als een georganiseerde beweging van lekenschriftgeleerden, de niet-priesterlijke soferiem. Die lekengeleerden vormden een groeiende beweging sinds de 4e eeuw vCJ. Zelf beschouwden de Farizeeën zich als opvolgers van Ezra en Nehemia (ca. 450 vCJ), die met hun optreden het Tora-getrouwe Jodendom nieuwe impulsen gaven. Tot de farizese beweging konden ook wel priesters behoren, maar zij behoorden – in tegenstelling tot de Essenen – alleen tot de leiding van de farizese beweging op grond van hun geleerdheid, niet op grond van hun priesterschap.

De evangeliën geven geen informatie over het ontstaan van de farizese beweging. In de rabbijnse bronnen wordt de oorsprong ervan herleid tot de ‘mannen van de Grote Vergadering’. Dat was het hoogste joodse bestuursorgaan in de Perzische en vroeg-hellenistische tijd (tot ca. 220 vCJ). Daarna is er een periode geweest van individuele en paarsgewijze farizese leiders zonder veel politieke invloed. Pas aan het eind van de 2e eeuw vCJ begint de farizese beweging aan politieke kracht te winnen. Hoe meer de hasmonese vorsten helleniseerden en samenwerkten met de aristocratische beweging van de Sadduceeën, hoe meer de Farizeeën in de oppositie kwamen. Dat leidde tot vervolgingen onder koning Alexander Janneüs (103 – 76 vCJ). Maar onder zijn weduwe en opvolgster koningin Salomé Alexandra (76 – 67 vCJ) werden zij weer bij het bestuur van het land ingeschakeld. De reikwijdte van hun invloed in die tijd is echter niet met zekerheid vast te stellen.

Hoe invloedrijk waren de Farizeeën?
In de tijd van Jezus en Paulus bestond de farizese beweging al meer dan 200 jaar. Hoewel zij onder Herodes de Grote slechts ca. 6000 aanhangers heeft gehad, zou zij in de loop van de 1e eeuw CJ steeds belangrijker worden speciaal in Jeruzalem. Volgens Josefus hadden de Farizeeën veel invloed op de meerderheid van het volk, maar niet op de aristocratische bovenlaag. Vóór 70 CJ waren zij vooral gevestigd in Judea. Bij uitzondering woonden zij ook in sommige steden van Galilea. Het centrum van hun beweging bevond zich in Jeruzalem. De Farizeeën behoorden tot de stedelijke middenklasse van de bevolking. Van alle georganiseerde joodse groepen waren zij het minst gehelleniseerd (vergriekst). Zij stonden dicht bij het ‘gewone volk’. De meeste Farizeeën hadden geen toegang tot publieke beroepen, maakten geen buitenlandse reizen en verdienden hun dagelijks brood met ambachtelijk handwerk zoals dat van schoenmaker en smid, of met kleinhandel. Dergelijke werkzaamheden konden zij gemakkelijk combineren met Tora-studie. Het feit dat zij bij het volk in hoog aanzien stonden, was volgens Josefus te danken aan hun eenvoudige manier van leven, hun respect voor ouderen en hun onderwijs, waarbij zij zich lieten leiden door hun verstand.

De Farizeeën stonden erom bekend dat zij zeer nauwkeurig waren in het naleven van de Tora en werden gezien als deskundige interpretatoren, bijbeluitleggers. Hun populariteit bij het volk was mede te danken aan hun open opvatting over de Tora, die het mogelijk maakte de toepassing ervan aan te passen aan nieuwe omstandigheden en aan de nood van de dag. Josefus vermeldt dat zij mild waren bij het straffen. Een belangrijk uitgangspunt van de Farizeeën was dat de halachah – de op de Tora gebaseerde juris-prudentie – alleen zó mocht worden vastgesteld dat de meerderheid van het volk ermee kon leven. Dat was een regel waaraan de Sadduceeën en de Essenen geen boodschap hadden.

De farizese leerscholen
Studie onder leiding van, en discussies tussen farizese geleerden onderling vonden plaats in het leerhuis (beet hamidrasj), vaak ’s avonds en ‘s nachts. Desondanks werden de farizese scholen druk bezocht. Omdat de leraren in hun eigen levensonderhoud voorzagen, konden zij gratis leerlingen aannemen. Zij gaven hun onderwijs niet altijd in vaste gebouwen, maar op allerlei plekken waar het uitkwam: in woonhuizen, in synagogen, in de open lucht, in de zuilengangen of op de trappen van de tempel. De leerlingen hurkten in een kring om de leraar. Leraren en hun studenten vormden vaak hechte vriendschapsgroepen, die niet alleen samen studeerden maar ook hun dagelijks leven met elkaar deelden. In deze farizese scholen bestond geen curriculum. Vóór 70 CJ werden er geen examens afgenomen en officiële titels zoals ‘rabbi’ bestonden nog niet. In hun onderwijs speelden beelden ontleend aan eenvoudige economische activiteiten zoals visserij, landbouw en kleinhandel een belangrijke rol, veel meer dan beelden uit het openbaar bestuur. De enige uitzondering daarop was de figuur van de koning.

Hun relatie tot het openbaar bestuur
Vóór 70 CJ bestuurden de Farizeeën voornamelijk hun eigen groep. Zij hadden een soort centraal comité, waarin de belangrijkste leraren zitting hadden. Het hield de verschillende vleugels van de beweging bijeen. Buiten hun eigen groep hadden zij zoals al opgemerkt grote invloed op het volk, dat bij het verrichten van de gebeden, bij de gang van zaken in de synagogendiensten en bij het brengen van offers de farizees-liturgische praktijk volgde. In veel Judese steden hebben de Farizeeën – die immers tot de stedelijke middenklasse behoorden – een rol gespeeld in de stadsbesturen en in de rechtbanken. Maar in Jeruzalem was hun invloed beperkt. Zij stonden er weliswaar om bekend – in tegenstelling tot de Essenen – zoveel mogelijk samen te werken met de heersende overheid, maar alleen als deze hen gunstig gezind was of als het welzijn van de bevolking daarmee was gediend. Zo onderwierpen zij zich aan het bestuur van Herodes de Grote om bloedvergieten te voorkomen. Ook hebben de Farizeeën de Romeinse overheersing in het algemeen passief gedoogd, omdat zij wisten dat verzet tot grotere onderdrukking zou leiden. Maar tot 50 CJ hadden de Sadduceeën in Jeruzalem en in de tempel de touwtjes stevig in handen en speelden de Farizeeën een geringe rol in het openbaar bestuur.

De rol van de farizese leiders in het Sanhedrin, het hoogste rechts- en bestuurscollege voor intern-joodse aangelegenheden, dat zetelde in de tempel, is niet in alle opzichten duidelijk. Dat sommigen van hen er lid van zijn geweest, is zeker. Waarschijnlijk waren zij dat op persoonlijke titel, omdat de herodiaanse vorst of de Romeinse stadhouder hen dan gunstig gezind waren. Een andere reden waarom sommigen van hen lid van het Sanhedrin konden zijn, was hun grote geleerdheid of hun persoonlijke rijkdom. Dat was waarschijnlijk het geval bij Rabban Gamaliël I. De Farizeeën vormden echter steeds een minderheid in het Sanhedrin, waarin de Sadduceeën dominant waren.

Ook buiten het Sanhedrin traden de Farizeeën regelmatig met de Sadduceeën in discussie. Een belangrijk meningsverschil dat zij met elkaar uitvochten, betrof de vraag wie verantwoordelijk waren voor de kosten van de gemeenschapsoffers in de tempel: rijke particulieren zoals de Sadduceeën het wilden (en wat de gewoonte was bij heidense tempels), of het hele volk zoals de Farizeeën het wilden. De Farizeeën wonnen uiteindelijk deze strijd. De gemeenschapsoffers waren in hun ogen een zaak van het hele volk, niet alleen van de elite. Het was juist deze lichte participatie in het landsbestuur en de kritische tolerantie tegenover de Sadduceeën, die de Essenen de Farizeeën hoogst kwalijk namen en waarom zij hen betitelden als ‘zoekers van vleierijen’. Omgekeerd hebben de Farizeeën confrontaties met de Essenen waarschijnlijk vermeden. In de Talmoed worden de Essenen bijvoorbeeld nergens vermeld, hoewel Farizeeën en Essenen veel geloofsvoorstellingen gemeen hadden, zoals de geïnspireerdheid van de Profeten, het voortbestaan van de ziel na de dood, de verwachting van messiasfiguren, etc.

Waar komt de naam ‘Farizeeën’ vandaan?
Tot slot van deze aflevering nog een opmerking over het naam Farizeeën. Het Hebreeuwse woord pêroesjiem (Grieks: pharisaioi) is afgeleid van de Hebreeuwse stam parasj, waarvan de grondbetekenis ‘afscheiden’, ‘afzonderen’ is. Men zou het woord ‘Farizeeën’ dus kunnen vertalen met ‘afgescheidenen’, maar beter wellicht met: ‘zij die zich afscheiden’. De onvoltooide tijd in deze laatste vertaling is essentieel. Het gaat niet om een groep die zich ooit eens van een andere groep had afgescheiden en nu een eigen bestaan leidde. Het zich afscheiden was voor de Farizeeën een dagelijks terugkerende realiteit. Zij streefden naar een levenswijze die in alles doordrongen was van de Tora. Rituele reinheid en spijswetten speelden daarin een belangrijke rol. Als gevolg daarvan werd bij tal van gelegenheden de omgang met andere joden, die de Tora niet of te weinig naleefden, een onmogelijke zaak. Bij studie, voedselbereiding en maaltijden scheidden zij zich dus af van dat deel van het volk dat zich niet aan de farizese leefregels hield. Maar of de Farizeeën zichzelf ‘Farizeeën’ hebben genoemd, is niet met zekerheid te zeggen. De naam ‘Farizeeën’ zou ook een scheldwoord kunnen zijn, dat hun gegeven werd door hun tegenstanders, met de betekenis: “zij die zich apart hielden om ver weg te blijven van de onreinheid van het gewone volk.”

In een volgende aflevering zal ik iets vertellen over de pluriformiteit van de farizese beweging.


Dit artikel werd eerder gepubliceerd in: Judaica-Bulletin 35.2, januari 2022.


This is the website of Peter van 't Riet