Het Testament van Job en het Testament van Salomo
Titel: Het Testament van Job, het Testament van Salomo
Auteurs: Drs. J.G. Schenderling, Drs. L. Cozijnsen
Uitgever: Kok : Kampen 1990
Dit boek, dat verschenen is als deel 6 in de serie Na de Schriften, Na-bijbelse joodse en christelijke geschriften, bestaat uit de vertalingen van twee joodse geschriften uit het begin van de christelijke jaartelling. Elk wordt voorafgegaan door een inleiding van de hand van de vertaler. Het boek geeft een interessant beeld van hoe in sommige joodse kringen m.n. in de Diaspora werd omgegaan met bijbelse verhalen.
Testamentenliteratuur
Beide geschriften behoren tot het literaire genre van de z.g. testamenten. In dergelijke geschriften laat een figuur uit de Bijbel op zijn sterfbed zijn 'geestelijke testament' na aan zijn kinderen. Dat gebeurt meestal in de vorm van een lange redevoering. Het genre is geïnspireerd door de verhalen over het sterfbed van Jacob en van Jozef in Genesis 48-50.
Er zijn meer van dergelijke geschriften bekend, waaronder de bekendste is de Testamenten van de twaalf patriarchen, een apocalyptisch geschrift uit de tweede helft van de 2e eeuw vCJ. De taal van de testamenten van Job en Salomo is het Grieks van de Grieks-sprekende Joden uit het begin van de christelijke jaartelling. Ze zijn overgeleverd binnen de christelijke kerk, omdat het rabbijnse Jodendom er geen belang in gezien heeft deze geschriften te bewaren.
Een hellenistisch-joods geschrift
Het eerste geschrift, het Testament van Job, is een lange toespraak van Job aan de kinderen uit zijn tweede huwelijk over zijn lijden en latere herstel. Maar in tegenstelling tot de Job uit Tenach, die worstelt met God over het lijden dat hem overkomt, is de Job uit dit Testament een nogal fatalistische braverik, die zijn vrijgevigheid ten opzichte van armen en weduwen breed uitmeet en alle lijden met een engelengeduld aanvaardt.
De centrale gedachten achter het Testament van Job zijn volgens de vertaler: men moet ten alle tijde geduld oefenen, zelfs bij de zwaarste tegenslag, en men moet zich niet richten op de aardse werkelijkheid, omdat die voorbijgaat, maar op de hemel en het dienen van God (pag. 14-15).
Het is jammer dat de inleiding van drs. J.G. Schenderling bij dit Testament van Job nogal oppervlakkig is, evenals het notenapparaat bij de vertaling, dat zich voornamelijk beperkt tot parallellen met het bijbelse boek Job. Er wordt bijv. geen enkele poging gewaagd het geschrift te plaatsen binnen of naast welk joods of niet-joods geestelijk milieu uit die tijd dan ook. We komen daarom uit de inleiding noch over de datering, noch over de plaats van ontstaan, noch over de betekenis van het Testament van Job iets aan de weet, behalve dat het geen christelijk maar een hellenistisch joods geschrift is.
Magie
Anders is dat met het Testament van Salomo, een joods-magisch geschrift uit het begin van de 3e eeuw CJ. De inleiding en het notenapparaat van hand van de vertaler drs. L. Cozijnsen geven veel informatie, waardoor een aantal vragen rond dit geschrift wordt beantwoord.
Het Testament van Salomo heeft niet het karakter van een lange rede, maar van een geschrift dat Salomo aan de zonen van Israël heeft gegeven en aan de joden heeft nagelaten (pag. 63). Het sluit aan bij de opmerking in 1 Koningen 4:29-33 dat "de wijsheid van Salomo groter was dan die van allen uit het Oosten en dan al de wijsheid uit Egypte."
Het Oosten (Babylonië) en Egypte stonden bij uitstek bekend als centra van astrologie en magie (pag. 71). In dat kader lag het voor de hand te veronderstellen dat ook Salomo over magische en occulte wijsheid beschikte. Aan dat thema is het Testament van Salomo geheel gewijd. In het grote middendeel van het geschrift trekt een bizarre stoet van boze geesten, demonen en draken voor Salomo langs, waaronder Beëlzebul, de leider van de demonen, ook bekend uit de evangeliën. Salomo bedwingt ze allemaal en sluit ze op, of stelt ze te werk ten behoeve van de tempelbouw (pag. 58).
Deze traditie van Salomo's occulte wijsheid en magische macht over demonen is in de 1e eeuw CJ al een gevestigde opvatting geweest in het Jodendom. Al in de evangeliën vinden we er de sporen van terug (pag. 74). Ook in de Babylonische Talmoed is een dergelijke traditie te vinden (Gittim 68a-b), waarbij de overeenkomsten met het Testament van Salomo groot zijn (pag. 68).
Joodse en niet-joodse magie
Interessant is de vergelijking met de laat-antieke magische bronnen uit niet-joods milieu, zoals de Griekse magische papyri (pag. 75). Hier blijkt de geheel andere behandeling van de thematiek in het Jodendom. De heidense magische geschriften zijn voor een groot deel gewijd aan magische rituelen bedoeld om met behulp van demonen aan andere personen, bijv. de concurrent, schade toe te brengen of hen in de macht te krijgen. Dit element ontbreekt in joodse bronnen, waaronder het Testament van Salomo, volkomen. Hier wordt de macht van demonen niet ingeschakeld voor persoonlijk winstbejag, maar wordt die macht gebroken (pag. 76).
De opvatting van Cozijnsen dat het bij het Testament van Salomo om een gebruiksboek gaat (pag. 65), bedoeld om de in het Testament genoemde en beschreven magische namen, spreuken en rituelen in de praktijk van het dagelijks leven tegen de demonen in het geweer te brengen, is m.i. twijfelachtig. Als het al te beschouwen is als een gebruiksboek, dan niet zo zeer voor magisch gebruik als wel voor godsdienstig didactisch en meer nog wellicht godsdienstig psychologisch gebruik.
Het leven van een jood in de diaspora speelde en speelt zich nu eenmaal niet af in volledige afzondering. Diasporajoden leefden in een heidense omgeving die doordrenkt was van voorstellingen over demonen en geesten. De angst voor allerlei machten en krachten die bovendien nog eens door je medemensen met meer magische kennis dan jezelf tegen je gebruikt zouden kunnen worden, was enorm. Deze angst was een grote bron van macht voor wie er handig gebruik van wist te maken.
In zo'n situatie kunnen ook joden wel enige geestelijke weerbaarheid gebruiken. En als dan koning Salomo al lang geleden al die verschrikkelijke geesten en demonen onschadelijk heeft gemaakt, dan is er minder reden je mee te laten sleuren in de angst van je niet-joodse omgeving.
Een interessante uitgave voor wie het Jodendom uit de Oudheid in zijn volle breedte wil leren kennen.
Deze boekbespreking verscheen eerder in: Judaica Bulletin 5 nr. 3, januari 1992.