Minhag, ofwel plaatselijk voorgeschreven gebruik
Iedere niet-jood die zich regelmatig met het Jodendom bezighoudt, weet waarschijnlijk wel wat er met het woord halacha wordt bedoeld. Halacha is het geheel van joods-wettelijke regels die op basis van Tora en joodse traditie in de loop der eeuwen door de rabbijnen zijn vastgesteld als normatieve gedragsregels.
Iedere niet-jood die zich regelmatig met het Jodendom bezighoudt, weet waarschijnlijk wel wat er met het woord halacha wordt bedoeld. Halacha is het geheel van joods-wettelijke regels die op basis van Tora en joodse traditie in de loop der eeuwen door de rabbijnen zijn vastgesteld als normatieve gedragsregels. Halacha zou je het verkeersreglement voor de joodse levensweg kunnen noemen.
Halachot
Veel halachische voorschriften (halachot), zoals het werkverbod voor de sjabbat, zijn te vinden in de schriftelijke en mondelinge Tora of worden daar direct uit afgeleid. Andere bestaan uit beschikkingen van de rabbijnen om te voorzien in situaties, waarover de Tora zich direct noch indirect uitspreekt. In het algemeen is de halacha geldig op internationale schaal. Maar de halacha regelt niet alle joodse gebruiken en gewoonten als bindend. Er blijft ruimte over voor plaatselijke gebruiken en gewoonten. Dan komen we op het terrein van de minhag.
Minhag
Bij minhag gaat het om drie zaken. In de eerste plaats behoren ertoe gebruiken of gewoonten die in de praktijk overal in het Jodendom algemeen geaccepteerd zijn zonder dat er een halachische beslissing aan ten grondslag ligt, en die gezien worden als bindend en daardoor de kracht van halacha hebben gekregen. Het dragen van een keppeltje of ander hoofddeksel door mannen in een synagoge is daar een voorbeeld van. In de tweede plaats omvat minhag lokale gebruiken of gewoonten (minhag ha-makom) die als bindend gelden in een plaats of gebied, maar elders niet bindend zijn. Deze lokale minhagiem (mv. van minhag) zijn in de loop der eeuwen vaak verzameld in minhagiem-boeken. Een derde meer specifieke betekenis van minhag heeft betrekking op de verschillende liturgische riten die zich in bepaalde gebieden in de synagoge hebben ontwikkeld, zoals minhag Romania (Roemeens), minhag Polin (Pools) en minhag Asjkenaz (Hoogduits).[1]
In lijn met de tweede betekenis van minhag wordt het woord vaak vertaald met ‘plaatselijke gewoonte’. Maar de term ‘gewoonte’ is eigenlijk te vrijblijvend als vertaling voor minhag. Dat heeft te maken met de aard van minhagiem. Een minhag wordt ingesteld door een rabbijn of door het bestuur van een joodse gemeenschap als er verschillende opvattingen bestaan over 'hoe het moet', bijvoorbeeld in een sjoeldienst. Er wordt gekozen voor een bepaalde opvatting, en pas wanneer die keus in een bepaalde plaats is ingeburgerd en door een belangrijke groep gemeenteleden geaccepteerd is, mag dit een minhag heten. Vanaf dat moment is de gewoonte zo bindend, dat de halacha ervoor moet wijken. Overigens kan daarover in joodse gemeenten veel te doen zijn, vooral als er in bepaalde perioden nieuwkomers uit andere streken de gemeente binnenstromen.[2]
Haag om de Tora
Minhagiem zijn al van oude tijden. Deze gedragsregels kunnen per land en per plaats verschillen. Vaak liggen zij in de sfeer van de ‘haag om de Tora’, dat wil zeggen maatregelen om te voorkomen of het risico te verkleinen dat men halachische regels overtreedt. De ene joodse gemeenschap is daar “strenger” in dan de andere. Zo wordt verteld dat men in de 1e eeuw CJ in Galilea de gewoonte had op de dag vóór Pèsach niet te werken, terwijl men dat in Judea wel mocht doen. Om conflicten met bezoekers uit de andere landstreek te vermijden gaven de farizese geleerden als regel dat iemand die van de ene plaats naar de andere gaat, zich altijd moest houden aan het zwaarste van de gebruiken van beide plaatsen. In geval van bovenstaand voorbeeld was het dus aan een Judeeër die in Galilea verbleef, verboden te werken op de dag vóór Pèsach, en gold hetzelfde voor een Galileeër die in Judea verbleef.[3]
Een ander voorbeeld van een minhag uit de tijd toen de tempel nog bestond, deed zich voor toen aan de farizese geleerde Hillel – een oudere tijdgenoot van Jezus – de vraag werd voorgelegd of het was toegestaan een mes te dragen als de datum 14 Nisan op een sjabbat viel. Dat was de datum waarop ’s middags het pèsach-lam geslacht moest worden in de tempel. Dragen van voorwerpen over openbaar terrein was en is echter op sjabbat verboden. Hillel antwoordde dat hij daarover ooit een overlevering had gehoord, maar dat hij die vergeten was. Zijn advies luidde: “Laat het over aan het volk van Israël. Hoewel zij geen profeten zijn, zijn zij in elk geval kinderen van profeten.” Het volk kwam daarna met de messen vastgemaakt aan hun kleding, wat op sjabbat als ornament van de kleding en niet als het dragen van een voorwerp geldt. Toen herinnerde Hillel zich dat hij het zo van zijn leraren Avtalion en Sjêmaja had gehoord. Plaatselijke gewoonten (minhagiem) van lokale joodse gemeenschappen, zoals in Jeruzalem, het land Israël en Babylonië worden in de Talmoed geacht tot de mondelinge Tora te behoren.[4]
Meningsverschillen
De eeuwendoor zijn joodse gemeenschappen bezig geweest met hun minhag. Vaak ging het om meningsverschillen betreffende de gang van zaken in synagogediensten. Ook in de joodse gemeente van Amsterdam was dat in de 17e eeuw het geval. In die tijd kwamen veel joden uit Spanje/Portugal (Sefardische joden), het Rijnland (Asjkenazische joden) en Polen (Poolse joden) naar Nederland op de vlucht voor vervolgingen in hun geboorteland. De bestuurders van de Asjkenazische Joodse Gemeente Amsterdam hingen in het algemeen de Rijnlandse, ‘Hoogduitse’ minhag aan en deden vanaf het begin veel moeite die te beschermen tegen invloeden van andere joodse groepen. De ruzies en conflicten waarmee dat gepaard ging, draaiden om zaken als: wie mag wat zeggen; welk onderdeel van de dienst zeg je eerst; wanneer moet men zitten, zwijgen of staan; welke chazan mag op welke sjabbat de dienst leiden; etc. De passie waarmee deze meningsverschillen werden uitgevochten, is alleen te begrijpen als men beseft dat het een grote eer was en is bepaalde taken in de dienst te mogen vervullen, dat sommige taken eervoller zijn dan andere, en dat juist dit soort 'kleinigheden' een mens het gevoel geven in 'zijn eigen' sjoel te zijn.
Minhagverzamelingen
In I7II, I7I6 en I8I4 werden verzamelingen van Amsterdamse minhagiem vastgelegd. Dat volgde altijd op perioden van chaos en beroering, waarin de heersende Hoogduitse/Asjkenazische minhag werd belaagd door vreemde, vooral Poolse invloeden. Het voorwoord van de verzameling uit 17I6 zegt bijvoorbeeld: "Daarom hebben wij ook alles duidelijk in het Jiddisch laten opschrijven, zodat zelfs de kleine kinderen zullen weten hoe ze zich moeten gedragen in sjoel en er geen discussies over de plaatselijke minhag zullen ontstaan." Aan die opmerking was het nodige voorafgegaan. Men legde alleen gewoontes vast, die controversieel waren geweest. Gewoontes die echt algemeen geaccepteerd waren, hoefden niet te worden opgeschreven. Dat blijkt ook uit de voorwoorden van die verzamelingen en uit de teneur van wat erin is opgeschreven.
In het begin van de 19e eeuw na de tumultueuze tijd van de Franse bezetting werd in 1814 de minhag van Amsterdam opnieuw vastgelegd in de geest van de Rijnlandse/Asjkenazische minhag. Een voorbeeld daarvan is de tijd die men wacht voor men na het eten van vlees weer melk mag drinken. In Polen en later in heel Oost-Europa moest men zes uur wachtten. En zelfs in Duitsland - de bakermat van de Rijnlandse minhag – koos men op den duur voor drie tot vier uur wachttijd. Maar Nederland hield als enige vast aan een wachttijd van één uur.
Amsterdamse minhag
Nog een paar voorbeelden van Amsterdamse minhag. Men draagt géén doodskleed op seideravond. Een vreemde rabbijn mag slechts in het openbaar een derasja (predicatie) houden met toestemming van de opperrabbijn en van de parnassiem (bestuurders). Zonder hun toestemming mag niemand in de synagoge een derasja houden. Een vreemdeling mag niet spreken in de synagoge, tenzij hij een opperrabbijn is uit een bekende kehilla (gemeente), of hoofd van een jesjiva (Talmoedschool), of een mesjoelach (gezant) die hier gekomen is vanwege pogroms in zijn eigen land. In een dergelijk geval mag hij op sjabbat alleen in een synagoge van de gemeente spreken bij mincha (de middagdienst), maar niet in de ochtenddienst.
Ook werd de minhag ingezet voor beschavingspogingen die de sjoeldiensten netter en plechtiger moesten maken zoals het in protestantse kerkdiensten toeging. Mitzwot (taken) in de dienst diende men met een jasje aan te verrichten en niet in een overhemd. Hetzelfde gold voor het zeggen van het Kaddiesj-gebed voor de overledenen. Zo niet dan zouden er boetes volgen. Bepaald werd tussen welke onderdelen van de dienst men geen onnodige zaken mocht bespreken, men geen tabak mocht uitdelen of aannemen, en geen brieven mocht lezen of verspreiden. Ook werd het verboden om in de synagoge boeken te verkopen.
Verder werden allerlei regelingen opgesteld om te voorkomen dat ruziemakers en opscheppers eervolle plaatsen konden opeisen of 'buitenissige' traktaties zouden uitdelen die anderen niet konden betalen. Niemand mocht zonder toestemming van de parnassiem staan tussen de Aron ha-Kodesj (de kast met de Tora-rollen tegen de oostelijke wand) en de bima (de verhoging in het midden van de synagoge waar uit de Tora-rol wordt gelezen). De opperrabbijn had het exclusieve recht om gehuld in een talliet (gebedsmantel) de synagoge te betreden en te verlaten. Waarschijnlijk wilde men hiermee voorkomen dat gewone gemeenteleden op straat, lopend in een talliet, zich duidelijk zouden onderscheiden van de rest van de bevolking.
De vaststelling van minhag
De strijd om de vaststelling van de minhag gaat ook tegenwoordig nog door vooral als er grote veranderingen plaatsvinden in de samenstelling van een joodse gemeente. Na de Tweede Wereldoorlog is de traditioneel Nederlandse minhag sterk onder druk komen te staan. De joodse gemeenten kwamen gedecimeerd uit de oorlog. Naast het orthodox-joodse kerkgenootschap, kwamen de liberaal-joodse gemeenten opzetten. Orthodoxe rabbijnen waren er veel te weinig in ons land en werden daarom uit het buitenland betrokken. Maar zij waren vaak niet goed op de hoogte van de Nederlandse minhag. In de loop van de tijd namen de invloeden vanuit het buitenlandse Jodendom dan ook sterk toe.
De Nederlandse opperrabbijn Aron Schuster zette zich in de jaren 1950 en 1960 in voor het behoud van de Nederlandse minhag. In een interview in 1992, toe hij 85 jaar werd, noemde hij als voorbeeld de Nederlands-joodse gewoonte om het doordeweekse middag- en avondgebed direct achter elkaar te verrichten in de namiddag en met het avondgebed niet te wachten tot het nacht zou zijn geworden (het avondgebed heet ma’ariev in het Hebreeuws, wat betrekking heeft op de tijd dat de zon naar de horizon daalt en vervolgens ondergaat). Schusters pogingen zijn niet altijd gelukt. De invloed van met name het chassidische, Lubavitcher Jodendom zijn te sterk gebleken. Later moest Schuster echter constateren dat dat ook veel goeds had opgeleverd.[5]
Slotopmerking
Minhag, plaatselijk voorgeschreven gebruik, is bedoeld om de lokale tradities zo goed mogelijk in stand te houden. Omdat er van minhag een conserverende werking uitgaat, behoedt zij dat er al te revolutionaire veranderingen in korte tijd plaatsvinden, waardoor bestaande joodse gemeenschappen uit elkaar dreigen te vallen. Maar ook past minhag zich aan aan de tijd, want een joodse gemeente moet nu eenmaal een levende gemeenschap blijven die in veranderende omstandigheden door de meerderheid in stand kan worden gehouden. Ik hoop dat ik met bovenstaande de lezer een indruk heb gegeven van wat minhag is, hoe die in de loop van de tijd tot stand komt en zich blijft ontwikkelen.
Noten
[1] Encyclopaedia Judaica, Jerusalem, 1974, lemma: Minhag.
[2] Elise Friedmann, Superjekkes voor altijd, in: NIW, 12 oktober 2007. Daarin bespreekt zij het boek Minhagee Amsterdam van Rabbijn Jehoeda Brilleman, vertaald en van een inleiding voorzien door rabbijn R. Evers, uitgegeven door het Nederlands Israëlitisch Seminarium in Amsterdam. Veel onderstaande gegevens over de situatie in Amsterdam vanaf de 17e eeuw heb ik aan dit artikel ontleend.
[3] Dit en het volgende voorbeeld komen uit paragraaf 7.4 van mijn boek Paulus’ leerschool in Jeruzalem, Folianti, Kampen, 2023 (te verkrijgen op Amazon.com), waarin ik het systeem van de halacha incl. de minhag in de 1e eeuw vCJ heb beschreven.
[4] Zie vorige noot.
[5] "Ik verzet me tegen verandering van de Nederlandse minhagiem", interview door Chaja Brasz met oud-opperrabbijn Aron Schuster t.g.v. zijn 85-ste verjaardag, NIW 14 augustus 1992.
Dit artikel werd gepubliceerd in: Judaica Bulletin 38.1, Stichting Judaica Zwolle, oktober 2024.